Wie door het dichte bos van de Utrechtse Heuvelrug dwaalt, verwacht geen complete woestijn. Toch verrijst in de Soesterduinen een goudgele zandverstuiving van 500 hectare. Dit unieke natuurgebied, gevormd in de ijstijd en getransformeerd door eeuwenoud menselijk ingrijpen, verbergt een fascinerend raadsel. Midden op het verstoven zand staan mystieuze bomen die letterlijk op de duinen lijken te klimmen.
Een per ongeluk ontstane woestijn

Tijdens de laatste ijstijd bliezen gure poolwinden dikke zandpakketten naar de Utrechtse Heuvelrug. Eeuwenlang hield een dicht bos het stuifzand stevig op zijn plek. Pas in de late middeleeuwen veranderde dat landschap ingrijpend.
Mensen kapten massaal bomen en lieten hun vee de heide begrazen. Zonder planten en wortels kreeg de wind vrij spel. Het zand begon zo hevig te verstuiven dat paniekerige boeren houten wallen moesten opwerpen om hun akkers tegen de oprukkende duinen te beschermen.
Zo veranderde menselijke activiteit het groen onbedoeld in een Nederlandse woestijn. Vandaag de dag vormen de Korte en Lange Duinen de grootste zandverstuiving van Utrecht, waar het ijstijdzand nog altijd vrij rondwaait.
Het geheim van de klimmende bomen

Midden op de goudgele zandvlakte speelt zich een bijzonder botanisch mysterie af. Wie langs de randen van de Soesterduinen loopt, ziet grillige bomen die schijnbaar op hun eigen zandheuvels klimmen. Dit zijn de beroemde eikenstrubben, ontstaan door een voortdurend gevecht met het wandelende zand.
Eeuwen geleden bedolven de stuifduinen jonge eiken. In plaats van te sterven, maakten de takken onder het zand nieuwe wortels aan. Wanneer de wind het zand vervolgens weer wegblies, bleven de bomen achter op verhoogde wortels. Samen met zeldzame korstmossen vormt dit landschap een uniek micro-ecosysteem. Het geeft het gebied een bijna sprookjesachtige sfeer, waar bomen en wind in een eeuwigdurend evenwicht leven.