Op 31 mei 1800 opende de voorloper van het Rijksmuseum zijn deuren. Er hing geen Nachtwacht, er was geen Amsterdams grachtenpand te bekennen en de hele verzameling telde slechts 200 schilderijen en rariteiten. De wieg van onze nationale schatkamer stond namelijk niet in de hoofdstad, maar in Paleis Huis ten Bosch in Den Haag.
Het bleek het startsein voor een opmerkelijke zwerftocht. Via het koninklijk paleis op de Dam en een overvol herenhuis aan de Wallen belandde ’s lands beroemdste kunstcollectie uiteindelijk op de plek waar 2,7 miljoen bezoekers hem vandaag de dag kennen.
Een Haags begin met 200 werken

Toen de Nationale Konst-Gallery in 1800 opende in Paleis Huis ten Bosch, was het hoofddoel vooral om vaderlandse trots op te wekken. De eerste directeur, kunsthandelaar Cornelis Sebille Roos, moest het doen met een bescheiden selectie uit oude stadhouderlijke verzamelingen.
Toch sloeg hij meteen een historische slag. Voor exact 100 gulden kocht hij De bedreigde zwaan van Jan Asselijn. Het werd het allereerste aangekochte meesterwerk van de staat en geldt nog altijd als een van de grootste publiekstrekkers.
Louis Napoleon haalt de kunst naar de Dam

In 1808 veranderde het lot van de nationale kunstcollectie ingrijpend. Koning Lodewijk Napoleon besloot de hoofdstad te verplaatsen naar Amsterdam en eiste dat de schatten meeverhuisden. Onder de naam Koninklijk Museum verhuisde de collectie naar de bovenste verdieping van het Paleis op de Dam.
Deze verhuizing zorgde voor een cruciale fusie. De Haagse stukken werden op de Dam samengevoegd met de belangrijkste stedelijke schilderijen van Amsterdam. Voor het eerst kreeg de staat de beschikking over wereldberoemde meesterwerken, waaronder De Nachtwacht van Rembrandt.
Een volgepropt paleis op de Wallen

Na de val van Napoleon verhuisde het ‘Rijks Museum’ in 1817 naar het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal. Het 17e-eeuwse stadspaleis barstte al snel uit zijn voegen. Kunstwerken hingen van plint tot plafond gepropt. Wegens ruimtegebrek verhuisden historische voorwerpen zelfs naar Leiden en Den Haag.
Toch verrijkte de collectie zich juist hier met onbetaalbare meesterwerken. Toen bankier Adriaan van der Hoop in 1854 zijn privécollectie van 224 schilderijen naliet – waaronder Rembrandts Het Joodse Bruidje – weigerde de stad Amsterdam bijna de belasting te betalen. Pas toen welgestelde burgers bijsprongen, bleven de topstukken voor Nederland behouden.
Een kathedraal op het Museumplein

In 1885 kreeg Nederland op het Museumplein eindelijk een echt nationaal museumgebouw. Architect Pierre Cuypers mengde neogotische elementen met vaderlandse symboliek tot een monumentale ‘kathedraal voor de kunst’.
Het nieuwe gebouw luidde een enorme uitbreiding in. Naast de schilderijen uit het Trippenhuis trokken ook het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst uit Den Haag en de moderne meesters uit Haarlem in het pand. De rijksverzameling veranderde op slag van een overvolle schilderijengalerij in een compleet overzicht van Nederlandse kunst en historie.
Van 200 stukken naar 1 miljoen schatten

Wat in 1800 begon als een bescheiden verzameling van 200 stukken in Den Haag, is ruim twee eeuwen later uitgegroeid tot een bezit van ruim 1 miljoen objecten. In het vernieuwde gebouw op het Museumplein staan daarvan dagelijks zo’n 8.000 kunstwerken en historische schatten opgesteld, verdeeld over 80 zalen.
Van Rembrandts De Nachtwacht en Vermeers Het straatje tot het beroemde Zelfportret van Vincent van Gogh: de absolute topstukken trekken jaarlijks zo’n 2,7 miljoen bezoekers. Zo eindigde een eeuwenoude zwerftocht in een van ’s werelds populairste musea.