Achter een onopvallende doorgang in de drukke Jordaan schuilt een van de meest gelaagde plekken van Amsterdam. Waar in 1394 het machtige Karthuizerklooster verrees en het terrein in 1602 diende als massagraf voor duizenden pestslachtoffers, werd in 1650 een beschut hofje gebouwd: het Huiszittenweduwenhof.
Dit indrukwekkende complex aan het Karthuizersplantsoen werd door de stedelijke armenzorg neergezet om een veilige en kosteloze haven te bieden aan verarmde weduwen en alleenstaande vrouwen. Tegenwoordig ademt het omsloten binnenterrein nog steeds een opvallende, bijna serene rust uit, ver weg van de moderne stadsdrukte.
Een ingenieus complex voor meer dan honderd weduwen

Stadsbouwmeester Daniël Stalpaert ontwierp in 1650 een strak en functioneel complex rondom een royale centrale binnenplaats. Met ruim honderd sobere eenkamerwoningen bood het hofje maximale opvang voor de armste alleenstaande vrouwen van Amsterdam.
Blikvangers op het binnenterrein zijn de monumentale zandstenen waterpompen, gedecoreerd met een koperen vis en een mascaronkop. Hoewel de piepkleine woningen inmiddels zijn samengevoegd tot circa 65 ruimere woningen, ademen de bakstenen gevels nog altijd het zeventiende-eeuwse vakmanschap.
Een roerige historie vanaf 1394

Voordat het hofje verrees, kende het terrein een bewogen geschiedenis. In 1394 stichtten monniken hier het Karthuizerklooster Sint-Andries ter Zaliger Haven, een omvangrijk complex buiten de toenmalige stadsmuren. Na de Reformatie werd het klooster grotendeels gesloopt, maar de gronden bleven in het bezit van het stadsbestuur.
Tijdens de verwoestende pestepidemie van 1602 kreeg het terrein een duistere bestemming als noodkerkhof. Duizenden Amsterdammers vonden hier in massagraven hun laatste rustplaats. Pas halverwege de zeventiende eeuw besloten de Huiszittenmeesters de beladen grond om te vormen tot een veilige opvangplek voor verarmde alleenstaande vrouwen.